Welkom

Verstilt

Zwaluwen scheren vlak langs het gras. Ik leun met m’n hoofd schuin tegen de rugleuning en staar naar de zwaluwen zonder ze echt te volgen. Ze vliegen mijn beeld in en uit. De zon staart me aan terwijl ze steeds iets naar onderen zakt.

Waar m’n vriendin en ik gisteren, na een lange autorit met veel harde muziek en gelach, nog hele verhalen tegen elkaar hadden, lijkt nu de stilte hier ons te hebben overgenomen.

Zwijgend zitten we minutenlang naast elkaar terwijl we voor ons uit staren. Soms onderbroken door korte opmerkingen:

“Stukje regenboog”

“Die wolk”

“Vliegtuig”

M’n gedachten dwalen af naar Amsterdam, wat nu zo ver weg lijkt. Amsterdam met de drukte, met z’n vuige feestjes en hippe gepraat.

‘Ik hoef dat niet meer’ schiet er door mij heen. De zoveelste bevestiging dat ik het op de een of andere manier niet meer wil, dat Amsterdam. Vaak genoeg strookt dat gevoel totaal niet met m’n hoofd, maar het gevoel lijkt steeds sterker te worden en mij steeds vaker toe te spreken.

Misschien is Amsterdam wel zoals het populairste meisje vroeger uit de klas. Iemand die je jarenlang wilde zijn, totdat je dat ineens niet meer wilde en je anders naar haar ging kijken. Ze haar glans verloor en jij je eigen weg vond, wat een heel ander pad bleek dan dat van haar.

Morgen rijd ik weer terug naar Amsterdam en zuigt ze me waarschijnlijk weer op, wint ze me terug met haar charme. En toch weet ik dat ik op een dag afscheid van haar zal gaan nemen en van alles wat ze herbergt…

Moorkopje

“Ik noemde ’t vroeger moorkopjes”, vertelt mijn nichtje terwijl ze iets onderuit zakt om haar 7 maanden buik wat meer ruimte te geven. “Van die meiden die alleen maar mooi staan te wezen, net als een moorkop, met zo’n toefje bovenop” verduidelijkt ze.

Ze heft haar handen en wijst naar haar ogen. “Met een beetje een lege blik in de ogen, een dromerige glimlach…” “Van die meiden die niet 376 vragen in hun hoofd hebben als ze na een eerste geslaagde date met een man naar huis fietsen. Die geen achternamen-check doen, geen verwachtingen hebben ten aanzien van hem of van zichzelf…. moorkopjes dus” besluit ze.

Ik knik. “Mmm-mm’ zeg ik om mijn support wat te versterken.

“Zo’n toefje dus; ik heb soms gedacht dat ik het wilde zijn, maar ik zou het niet eens kunnen. Én ik wil toch een vent die het juist leuk vindt dat ik wél nadenk en, pffff ja, ook verwachtingen heb?!” roept ze erachteraan, waarin ze even lijkt te zijn vergeten dat ze die vent inmiddels op de bank heeft zitten en hij haar in the meantime ook ge-knocked up-ed heeft.

“INDERDAAD” roep ik heel feministisch terwijl ik mijn cappuccino naar haar hef. Zij proost enthousiast terug met haar mok waarbij we een beetje koffie morsen. Maar, hey, who cares?!

Helder

Zo vaak
Korte heldere schokjes van besef

Geen droom meer, maar echt

Ik blijf je zoeken
Omdat ik maar niet kan snappen

Wat dood zijn precies is

Voor altijd

“Lein toeeee” klinkt haar lieve hoge stemmetje, een tikje zeurend door de telefoon. Mijn zus is onderweg om haar kleine bij mij te droppen, maar het gaat mevrouw niet snel genoeg en dus moest er gebeld worden.

Als we later met z’n tweetjes zijn en ik voor haar drinken klaar sta te maken staat ze naast me. Ineens is ze verlegen en valt me haar kwetsbaarheid op. Ze is nog zo klein. Ze heeft geen babyvetjes zoals de meeste peuters en dat maakt haar nog fragieler. In het zicht van haar kleinheid voelt de wereld ineens heel groot een gevaarlijk aan. ‘Ik zal er altijd voor jou zijn’ schiet er door mij heen.

‘Leinleinleinleinleinleinleinleinlein’ Ze heeft zich omgedraaid en loopt met een ernstig gezicht rondjes in mijn kamer terwijl ze mijn naam als een mantra herhaalt.

“Drinken?” vraag ik, terwijl ik haar drinkbeker omhoog houdt. Ze onderbreekt haar monnikenloop en rent met een glimlach op mij af.
Voor nu is het er voor haar zijn nog zo makkelijk.

In je sokken begraven

*terugblik*

Mijn telefoon pingt.
Ik sta naar mijn vader te kijken die in de kist ligt. Ik had nog gevraagd aan de begrafenisondernemer of we hem niet in iets anders konden begraven. Zo’n kist vind ik cliché en kan ook ontzettend ordinair worden met van die satijnen binnenkanten. Bovendien vind ik een kist gewoon niet bij mijn vader passen. Maar misschien spreekt daar mijn algehele protest tegen het doodgaan van mijn vader.

Het alternatief was een rieten mand wat ik erg spiritueel vind en dus ook niet geschikt voor mijn vader. Uiteindelijk hebben we gekozen voor de meest basis ‘binnenkant’ met linnen bekleding. Dat ligt ie nu in. In z’n pak, maar zonder z’n schoenen. Dat schijnt normaal te zijn, vertelde de begrafenisondernemer. Ik heb nooit geweten dat je in je sokken begraven wordt en ik vraag mij af of mijn vader dat wist.

Terwijl ik mij dat afvraag pingt mijn telefoon nog een keer. De herinneringsping van een sms. Ik loop naar mijn telefoon. Een berichtje van een ex-scharrel doemt op. Hij condoleert mij met de dood van mijn vader. Maar, zo sluit hij af, misschien een klein lichtpuntje in deze donkere dagen: daar waar mensen dood gaan worden er ook mensen geboren.
Ik staar even onthutst naar het schermpje. Verbijsterd dat hij dit het juiste moment vindt om het te vertellen dat hij vader wordt, en denkt dat dit nieuws voor mij op dit moment een lichtpuntje is.

‘Keep on smiling’, beëindigd hij het bericht. Ik loop terug naar de kist en kijk naar het ingevallen gezicht van mijn vader en zijn veel te grote pak voor het uitgeteerde lijf wat erin zit. Naar zijn voeten zonder schoenen.

De tegenstrijdigheid van leven en dood; van ontvangen en verlies zijn pijnlijk duidelijk in deze sms. Ik weet echter dat hij waarschijnlijk 0,5 seconden over deze sms heeft nagedacht en de formulering niet zo bedoelde. Daarom app ik hem terug: Dank je wel. En wat een supernieuws!

Franse sjans

De zon brand. Ik leun achterover en til mijn haar uit mijn nek, frommel het in een knot op mijn hoofd en houd het daar even vast bij gebrek aan een elastiek. Op deze manier kan de wind mijn nek wat verkoelen.

Hij kijkt weer. Telkens als mijn blik naar links dwaalt zie ik zijn ogen op mij gericht. “Ik heb sjans” knipoog ik naar mijn vriendin die de laatste hap van haar lunch neemt.
Als we later op het antiekmarktje naast het terras lopen word ik op mijn rug getikt. Ik draai me om en laat mijn lange rok, die ik met beide handen tot een minirok heb opgetrokken omdat ik het te warm vind, snel vallen.

In het Frans begint hij tegen mij te praten. Of ik degene van het terras ben en of ik een drankje wil drinken. Ik antwoord in het Engels en zie een teleurgestelde blik in zijn ogen. “Oh, you’re not French” zegt-ie.

Bij dat ene drankje blijft het ook s’avonds; omdat mijn Frans te basic is en zijn Engels ontoereikend.

Paardenbloem

Haar fiets zakt wat naar onderen. Ze schuift haar voet tegen haar fietsband om ‘m tegen te houden. Al balancerend op haar andere voet reikt ze snel naar iets op de grond en komt weer omhoog. Terwijl ze de uitgebloeide paardenbloem met zijn witte kopje in haar linkerhand houdt, trekt ze haar fiets naar zich toe. Ik verbaas me even over het feit dat uitgebloeide paardenbloemen nu te vinden zijn.

Even denk ik dat ze de paardenbloem voor zichzelf geplukt heeft. Dan draait ze haar fiets en loopt naar een man die ik nog niet had opgemerkt die even verderop staat te wachten. Achterop zijn fiets zit een meisje van 2 jaar die beide handjes uitstrekt en de paardenbloem met een grote glimlach in ontvangst neemt.

Opa is zoek

“Opa Hans” roept mijn nichtje terwijl ze naar zijn foto wijst.

“Ja” knik ik bevestigend.

“Opa Hans zoek” zegt ze terwijl ze naar zijn foto kijkt. “Oma Rina zoekt hem”.

Ze draait zich weer om en kijkt mij met een stralende lach aan terwijl ze verder kletst over over Paar-tie die in de wei van de buren staat en over haar teen die au deed gisteren.

Gelukkig haar

Ik voel een tikje op mijn schouder. Ik draai me om. “Wacht even hoor”, zeg ik tegen mijn vriendin die ik aan de telefoon heb.

“Wat is er?” Vraag ik aan de man achter me die mij op de schouder tikte.
“Oh, niks” zegt ie “wilde alleen even hoi zeggen”. Zijn alcoholwalm is duidelijk te ruiken en hij houdt een blikje bier vast.

“Ah! Hoi” zeg ik tegen hem en draai me weer om.

Als ik mijn telefoon even later wegstop hoor ik hem achter me tegen mij praten.

“Wat een mooi haar”.
Ik draai mijn hoofd half naar hem toe. “Dank je”

“Weet je dat wel?”
Mm-mm, knik ik.

“Heb je je haar gekleurd?”
Mm-mm, knik ik weer.

“Nou, ik geef je nog tien jaar” zegt ie dan.
Ik schiet in de lach en ik zie mensen om me heen ook grijnzen. Maar ik draai me niet weer naar hem om.

Het wordt weer rustig achter me terwijl hij soms zichzelf mompelend herhaald. “Zo mooi, jezus, wat een haar”.

De tram is bij mijn halte dus ik sta op. Ik knik naar hem. “Je haar niet afknippen hoor” zegt ie als groet. “Nee zal ik niet doen” beloof ik hem.

Laten we leren te sterven

Voor iemand die zo bang voor de dood was als jij, is het langzaam doodgaan eigenijk het ergste doodsvonnis dat je kunt krijgen. Je was liever onder een bus gelopen, zo vertrouwde je mij toe. Maar of dat voor ons ook fijner was geweest wist je niet. Ik weet dat ook niet, ik heb nog nooit iemand -pats boem- verloren. Langzaam steeds afscheid van stukjes van jou en onze toekomst te moeten nemen viel zwaar. Jouw lichaam te zien slinken, je kracht te zien wegvloeien – tot op het laatst zelfs slikken teveel voor je was. En om uiteindelijk jouw ziel stukje bij beetje uit je ogen te zien verdwijnen.

Je werd weggetrokken uit het leven, terwijl je dat 100% niet wilde. Naar adem happend, strijdend voor het leven, voor een hartslag, stierf je. Doodgaan is niet mooi. Het doet pijn. Het is angstig en onbekend.

Wat ik altijd een van de mooiste dingen aan jou heb gevonden, is je vermogen om dingen te (her)zien. Je bood ooit mij je excuses aan, voor iets dat je had gedaan toen ik nog in de baarmoeder van mama zat. Je eigen fouten zien en toegeven, je mening herzien, dingen bespreekbaar maken. Je schrok er niet voor terug.
Zo ook met je angst voor de dood. Want ondanks het feit dat je zo ontzettend NIET dood wilde, besloot je geen levensverlengende chemokuren te ondergaan. Dood ging je toch, en dan liever zonder dat rot-ziekenhuis. Nog sterker liet je jouw kracht en jouw vermogen aan mij horen in een nummer dat je uitkoos voor je begrafenis. Laten we leren om te sterven (N’apprenons qu’à mourir à nous-mêmes), zo zong Julien Clerc op jouw afscheid. Wat was ik trots op jou.

En het is zo waar pap. Laten we leren om te sterven. Ik heb geen idee hoe – en jij wist het ook niet. Door jouw dood, denk ik ook nu vaker over de mijne na. Hoe is het om te weten dat je gaat sterven? Het besef van jouw sterfelijkheid en daarmee de mijne maakt niet dat ik anders wil leven. De bucket-lists vliegen me om de oren, op de voet gevolgd door quotes over het aantrekken van geluk en het jezelf verwijderen van negativiteit. Maar ik kan er niets mee.

Hoe het is om te sterven weet ik niet. Hoe het was om te weten dat ik jou kwijt ging raken, wel. En wat ik wilde, was niets spectaculairs. Het enige wat ik wilde was naast jou zitten. Je adem horen. En je hand vasthouden, om samen met jou de dood in de ogen te kijken. Laten we leren om te sterven.

Ik haat de Marqt

Eieren en melk. Redelijk essentiële ingrediënten voor de pannenkoeken die ik ga maken en ik ben ze vergeten. Over tien minuten staat mijn afspraak voor de deur en dus gris ik mijn tas en sleutels en hol naar de Marqt.

De Marqt net een q. Ik kom er liever niet maar maak een uitzondering als ik een spoedje heb of te lui ben om 30 meter verder te lopen. Want de Marqt met een q zit bij mij op de hoek. Letterlijk. Iets waar veel mensen, waaronder ook behoorlijk wat van mijn vrienden, een moord voor zouden doen.
Ik niet dus. Ik vind ’t overprized, inspelend op de onuitputtelijke behoefte van de mens om zich goed te voelen en goed over te komen. En voor dat gevoel, daar betalen we graag die extra tientjes meer voor.

Als ik de Marqt binnenstuif herinner ik me de andere reden waarom ik deze winkel meestal mijd: de geur. Kokhalsneigingen krijg ik d’r van, als ik een beetje overdrijf.
Waar de eieren en melk staan weet ik niet want ik kom er te weinig. Ik scan dus de rekken terwijl ik snel door de winkel loop. In tegenstelling tot mijn mede Marqt-gangers. Hipperds met een gelukzalige glimlach (want ze voelen zich thuis, zo denk ik mij in) en zaaige ietwat weeige mensen blokkeren mijn weg.

Een vrouw in de laatste categorie staat pontificaal te dromen voor het melkschap. Ik ga naast haar staan, wat voor de meeste supermarktgangers het teken is om een stapje opzij te doen om de ander de ruimte te geven. Maar misschien werkt dit bij Marqt met een q anders want ze verschuift geen centimeter.

Ik reik dus langs haar heen naar de deur met een tikkeltje passieve agressiviteit van mijn kant. Ineens wordt ze wakker en grijpt naar de andere deur. Wellicht werkt mijn interesse voor de biologische melk aanstekelijk want na 5 minuten niets dan dromerigheid heeft ze in een split second besloten ook een pak te willen.

Ik pak de melk en wil de deur sluiten, wat lastig gaat omdat zij nog steeds de weg blokkeert. De deur zwiept op z’n terugweg dus tegen haar mandje. Echter, ze reageert niet steeds niet. Alsof ik en mijn pak melk niet bestaan. Mijn tikje passieve agressiviteit staat op het punt actief te worden.

Maar ik draai me om. Er zijn belangrijkere dingen in de wereld, spreek ik mijzelf toe. Ik ga op zoek naar eieren. Onderweg naar de vrijetijdskippen stuit ik op een hippig stel. Nog niet te lang bij elkaar want hij probeert haar nog te paaien.
“Nou dat wordt hard werken voor mij straks” zegt ie met een iets te rollende R voor mijn laag drempelige irritatie graadmeter. Hij doelt op hun “volle mandje” maar zij, ik en hij weten alledrie wat hij werkelijk bedoeld. Mijn ogen rollen, zij giechelt.

Ik gris de eieren van hun stapel en loop naar de kassa. Daar staat de weeïge, dromerige vrouw weer, en aangezien er maar een kassa open is sluit ik aan. Het pak melk heeft ze blijkbaar weer teruggezet want er liggen nu alleen twee pakjes biologisch vlees op de band. Ze blijft zo staan dat ik mijn spullen niet op de band kan leggen. Eigenlijk los je dit soort dingen op door simpelweg te zeggen: ‘Pardon’ om vervolgens je spullen op de band te gooien. Gewoon een potje assertiviteit ertegenaan gooien die in de jaren tachtig nog op clubjes geleerd werd en nu de normaalste zaak van de wereld is. Maar ik heb er de kracht niet voor.

Als ik heb afgerekend loop ik naar buiten, de frisse lucht in. Ik loop langs de yogaschool waar een mannelijke yogaleerling net de deur uit komt gelopen en mij de pas afsnijdt. Ik ruik zijn zweetgeur.
‘Ah, ja, HEEL ERG ZEN JA!!’ Schreeuw ik hem in mijn hoofd toe.
Vast heeft iemand mij in mijn kleuterjaren geleerd andere mensen niet te veroordelen. En anders ik heb het zeker weten gehoord op een van de meditatieretraites waarin mij werd bijgebracht hoe je zen kon zijn. Maar ik ben bang dat ik een verdomd slechte leerling ben.

Cubaanse ribben

Het paard rent voorbij, soms zet hij aan tot iets wat op galopperen lijkt maar zakt dan weer terug. Hij trekt een kar met acht mensen voort en zijn ribben zijn duidelijk te zien.

Met pijn in mijn hart kijk ik ‘m na. Dit is niet het eerste dier wat ik hier zie dat slecht onderhouden wordt. Slechte vachten, uitstekende botten, een oog verloren of blind. Honderden zwerfhonden en iets minder zwerfkatten kleuren het straatbeeld van Cuba.

In Azië zag ik ooit een man met een groot krat op zijn brommer waar hij veel te veel kippen in had gepropt. Levend en wel terwijl er aan alle kanten poten en veren uitstaken. Hoe armer het land hoe lager de dieren op de ranglijst staan.

Het verbaast me hoe de mensheid tegen dieren aankijkt. Alsof het feit dat wij kunnen denken ons direct boven dieren verheft. Als je zelf niets hebt kan ik daar nog wel inkomen. Maar ook in Nederland stoppen we dieren in kooien in dierentuinen waar wij het zelf geen dag in uit zouden houden. Of bouwen we, puur voor ons eigen vermaak een Dolfinarium, betalen mensen om wat dolfijnen te vangen en laten die trucjes voor ons doen. Omdat we dat geinig vinden. Hoe de dieren het zelf vinden vragen we ons niet af.

Een boottripje naar een bassin in de zee waar dolfijnen tussen toeristen zwemmen en ongetwijfeld ‘kusjes’ zullen moeten geven omdat het zo’n leuke foto voor op Instagram maakt, sla ik af. Op een marktje koop ik een homp vlees wat ik aan een blinde zwerfhond geef. Maar het helpt allemaal geen ene moer.

Bijzonder lekkere chit-chat

“HOI-ooiii, hoe is het?!”begroet de PR-dame me alsof ze mijn beste vriendin is. Ik kijk haar aan. Nog nooit gezien.
Inmiddels ben ik gewend aan dit soort overdrevenheden. Waarschijnlijk denken de bazen van dit soort PR-meisjes dat dit werkt.

“Hoi!” Begroet ik haar. Ze zoekt mijn naam op “ah, voor de LLLLINDAAA?!” Ik knik bevestigend en neem mijn badge in ontvangst. Ik ben altijd een beetje ongemakkelijk bij dit soort ongefundeerd enthousiasme. We kennen elkaar niet maar zij gooit gemakkelijk allerlei netwerkchit-chat naar me over de muur. Ik glimlach en knik en kijk geïnteresseerd naar het visitekaartje wat ze in mijn handen drukt.

De naam die erop staat komt mij erg bekend voor en als ik haar naam zo zie herken ik ineens haar gezicht. Zij heeft ooit gesolliciteerd voor een stage op de redactie waar ik toen als redacteur werkte. Mijn collega’s vonden haar een leuke meid maar vooral mijn mannelijke collega’s waren uitermate enthousiast a.k.a. vonden haar BIJZONDER lekker. Ik zei echter nee en koos voor een andere stagiaire. Resultaat: alle mannelijke collega’s haatten mij voor ongeveer een maand en alle vrouwelijke collega’s lachten me uit en zeiden dat ik haar gewoon te knap vond.

Maar nu ik met champagne in mijn hand al nippend nog eens naar haar sta te kijken snap ik mijn keuze nog steeds. Ik vind haar gewoon niet zo leuk. Knap? Jazeker! Maar totaal niet echt.

Mama zonder man

*terugblik, september 2009*

Ze zit tegenover me. Ze oogt rustiger dan ze de afgelopen maanden is geweest. Misschien straalt ze zelfs een beetje. “Ik heb iets besloten” vertelt ze me.

Ik duw mijn lepel in de gewokte macaroni met groenten en gehakt en probeer zonder een mes het eten erop te krijgen. Zoals altijd als ik zonder mes probeer te eten, lukt het niet en ik bedenk me dat ik zo even een mes moet pakken. Voor nu neem ik genoegen met de drie stukjes macaroni en een verdwaalde wortelschijf op mijn lepel en steek die in mijn mond.

Haar lepel ligt losjes in haar hand en zweeft net boven haar bord. Ze kijkt me nog steeds aan. “Als ik 33 ben ga ik zwanger worden”, zegt ze me. “Ik heb er heel goed over nagedacht en heb erover gepraat met anderen die dat gedaan hebben. Volgend jaar wil ik verhuizen naar een groter huis, zodat het ook echt mogelijk is: een baby’tje erbij”.
 

“Natuurlijk zal het moeilijk worden, in mijn eentje, maar ik wil die druk eraf hebben. Die druk dat ik steeds ouder word en graag kinderen wil. Daarnaast wil ik ook graag de liefde van mijn leven ontmoeten, maar misschien ontmoet ik die pas op mijn veertigste. Ik wil niet nu met iemand ‘genoegen’ nemen omdat ik zo graag kinderen wil”.

Mijn eten ben ik even vergeten. Ik zit vol bewondering naar haar te kijken. Zoals ze me dit vertelt: rustig, met een krachtige stem en heldere ogen. “Hoe oud ben je nu ook alweer?”vraag ik haar. “In februari wordt ik 32” zegt ze. Nog ruim een jaar dus.

Als ze weg is zit ons gesprek nog in mijn hoofd. Naast de grote bewondering die ik heb voor haar kracht, boezemd het me ook ergens angst in. Want steeds vaker hoor ik dit om me heen. Van mooie, krachtige en grappige vrouwen die in de dertig zijn, graag kinderen willen en nog niet de man van hun leven hebben ontmoet. En die dus ook deze optie moeten overwegen die mijn vriendin nu heeft besloten te doen. Een optie die, toen we vroeger jonger waren, niet eens in ons hoofd voorkwam.

Omdat dit aan leeftijd hangt, hoef ik er nog niet zo over na te denken. Ik heb nog even. Maar jaren gaan snel. En ik vraag me af, of ik ook ooit over deze keuze na zal moeten gaan denken.

Pap, vertel eens

Tweeënhalf half jaar geleden schreef ik over mijn moeder. Dat ze naast me liep en dat ik mij ineens besefte hoeveel ik van haar hield en daarmee de angst ervoer haar ooit te verliezen. Dat ik deze tijd nog wilde aangrijpen om haar nog beter te leren kennen. Niet alleen als mijn moeder maar ook als meisje wat ze ooit geweest was, haar onzekerheden die ze toen had, de jonge vrouw die ze was toen ze mijn vader leerde kennen.

Een vriendin raadde mij het boek ‘Mam, vertel eens’ aan, dat ik voor haar kocht. Je had het boek ook in een vadersvariant, maar dat vond ik een dure aankoop in een keer en dus ik vroeg ze samen in dat boek te schrijven.

Niet wetende dat jij eerder zou gaan pap. Uiteindelijk slechts anderhalf jaar na mijn cadeau. Jullie hadden er nog niets in geschreven. En dus schoof ik mijn stoel dichter naar jouw bed dat in de kamer stond omdat je te zwak was om nog de trap op te lopen. Schrijven lukte je ook niet meer en dus las ik de vragen in het boek voor en jij gaf antwoord met een stem die een fractie was van hoe ie ooit klonk. Ik schreef, met mijn voeten leunend op jouw bedrand. Veel vragen beantwoorden lukte je niet omdat je zo moe was. Vijf dagen later stierf je. En ontmoette ik mijn angst je te verliezen en je te moeten missen.

Ik schreef nooit een stukje voor jou over dat ik je niet wilde verliezen en hoe ontzettend veel ik van jou houd. En nu ben je er niet meer.

Je bent er echt niet meer.

Nooit meer.

En ik mis je zo heel erg.